Stadsgroenteboer maakt deel uit van het ondernemerscollectief dat samen Voedselpark Amsterdam gaat vormen in de Lutkemeerpolder. De tuinderij werkt al acht jaar met een model waarin leden zich voor een seizoen verbinden aan de oogst, terwijl de tuinders zorgen voor de grond, de teelt en de distributie.
“Het is zo’n kloppend model,” zegt medeoprichter en tuinder Julia Crijnen. “Kleinschalig en dicht bij de stad, dus geen vrachtwagens van ver maar je fietst zo de stad in. Er zijn geen tussenhandelaren, dus wij kunnen meer voor onze groente vragen zonder dat het voor mensen veel te duur wordt.”
Het begon acht jaar geleden met vijf studievrienden die elkaar leerden kennen aan een universiteit in Italië. “Onze studie ging helemaal over voeding en het landbouwsysteem. Onderdeel daarvan was dat we veel boeren bezochten. Dat vond ik altijd het leukst en ik raakte bevriend met mensen die dat ook hadden.” Daar groeide het idee om samen een eigen tuinderij te beginnen. “We zeiden tegen elkaar: we gaan dit vier jaar doen, dan weten we of dit echt iets is of dat het een fantasie is die we romantiseren. En in vier jaar leer je sowieso net zoveel als met een opleiding.” Inmiddels zijn ze acht jaar verder, met drie van de vijf oprichters nog aan boord.
Van 35 naar 230 pakketten
Stadsgroenteboer werkt volgens het CSA-model: Community Supported Agriculture, landbouw gedragen door de lokale gemeenschap. Leden leggen zich aan het begin van het seizoen vast voor een heel seizoen lokale, verse groente. “We maken groentepakketten, het is dus geen zelfoogsttuin,” legt Julia uit. “Wij verbouwen, oogsten en pakken in, en leden halen hun pakket op bij de tuin of bij distributiepunten in de stad.”
In het eerste jaar telde Stadsgroenteboer 35 leden; nu zijn dat er 230, verspreid over twee tuinen van samen nog geen hectare, waarvan de tweede in de Tuinen van West ligt. “De helft gaat op woensdag de stad in, de andere helft op zaterdag. Het grootste deel brengen we rond met onze twee elektrische bakfietsen.”
Die groei is ook zichtbaar op het land zelf. “Als ik vergelijk hoe het er hier op onze bij staat met ons eerste jaar, is dat een enorm verschil. net als op de andere tuin,” zegt Julia. “Ik ben trots op die vooruitgang.” Het is precies die opgebouwde ervaring die Stadsgroenteboer meebrengt naar Voedselpark Amsterdam: waardevolle kennis van bodemherstel, biodiversiteit, logistiek en een eerlijk prijsmodel.
Een gezonde bodem
Wat Stadsgroenteboer vooral onderscheidt, is de manier van telen: regeneratief, gericht op een bodem die door de jaren heen vruchtbaarder en weerbaarder wordt, in plaats van uitgeput raakt. “Waar we dit jaar veel mee bezig zijn en wat eindelijk lukt: veel meer groenbemesters inzaaien. Dat zijn gewassen die je niet oogst maar voor de bodem teelt,” vertelt Julia. “Ik zou uiteindelijk graag een systeem hebben waarin je bijna geen compost meer hoeft in te kopen. Dat begint nu echt te komen.”
Ook boven de grond is er gewerkt aan biodiversiteit. “Die wilgenlijn daarachter hebben we zelf aangeplant; op de andere tuin staat een nog diversere heg.” Julia ziet verschil met de beginjaren: “In het begin hadden we veel meer last van luizen op de tuinbonen. Het is niet dat we geen plagen meer hebben, maar het is echt verminderd. Alleen met de slakken zijn we nog in gevecht.”
Zorg voor de bodem en opbrengst hoeven elkaar niet te bijten, benadrukt Julia. “Hoe beter je voor je grond zorgt, hoe beter je oogst. Als je eenmaal op dit regeneratieve pad zit en zegt: ik ga geen landbouwgif gebruiken, dan helpt alles waar je op inzet om de bodem en de biodiversiteit te verbeteren je juist aan meer oogst. Het is dus geen dilemma van ‘zorg ik goed voor mijn bodem of kies ik voor de oogst’. Het zijn twee kanten van dezelfde munt.” Op de klassieke kritiek dat biologisch telen minder opbrengt, heeft ze een tegenvraag: “Ik zou dat best eens naast elkaar willen zetten, want ik heb het idee dat hier behoorlijk grote opbrengsten van komen, juist omdat we het zo efficiënt doen. Eén bed heeft minimaal twee teelten per seizoen, soms drie.” “Zo’n trekker op diesel gebruikt heel veel energie. Wij doen veel meer met onze lichamen. Het vraagt meer arbeid, maar het is ook leukere arbeid.”
Waar wordt ze zelf het meest enthousiast van? Niet van de grote idealen, maar van iets tastbaars. “Als het lukt meer groenbemesters in te zaaien, als uit een bodemanalyse blijkt dat er veel meer organische stof in zit. Daar word ik gewoon blij van. Dan hebben we ons werk goed gedaan, goed voor de bodem gezorgd.” Ze is er nuchter over dat idealisme niet de hoofdmotor is. “Ik doe dit werk omdat ik het werk heel leuk vind. Als je dit alleen doet omdat je de wereld wil veranderen, is het te hard werken. Dan hou je het niet vol.”
Gemeenschap en een eerlijke prijs
Bij Stadsgroenteboer blijft het niet bij een pakket ophalen. Leden maken echt onderdeel uit van de tuinderij. “Ik merk dat de vaste vrijwilligersdagen goed werken,” zegt Julia. “Het draait dan minder om efficiëntie, maar het werkt omdat je met een grotere groep bent. Mensen vinden het heel leuk en de tuin heeft er wat aan.”
Sinds kort helpt ieder lid één keer per jaar drie uur mee op de tuin. Daarmee komen ook mensen die hun pakket normaal gesproken bij een afhaalpunt in de stad ophalen, daadwerkelijk op het land terecht. “Het is leuk om hun feedback te horen,” zegt Julia, “en om te zien hoe vaak ze zich tijdens zo’n dag realiseren: wow, wat is dit veel werk.” Die ervaring hoort bij het CSA-model. Leden krijgen niet alleen groente, maar zien ook hoeveel werk, kennis en zorg nodig zijn om die groente te telen.
Toegankelijkheid is voor Julia niet alleen een kwestie van openstaan voor bezoekers, maar ook van de prijs, en dat noemt ze hun grootste uitdaging. “Elk jaar weer, als we in de winter het budget voor het jaar erop maken: je wil niet te duur worden, want je wil het toegankelijk houden, maar je moet ook wat verdienen.” De oplossing: een basisprijs met een vrijwillige bijdrage naar draagkracht van één tot zes euro. “Dat is vrijblijvend, maar het werkt heel goed: sinds we ermee begonnen zijn, is ons inkomen flink omhooggegaan.”
Duurder dan je groente halen op de markt blijft het model wel. Goedkoop voedsel heeft volgens Julia vaak een prijs die niet op het kassabonnetje staat. “We zijn gewend geraakt aan heel goedkoop voedsel,” zegt ze. “De prijs daarvan is dat de bodems uitgeput zijn en seizoenswerkers vaak worden uitgebuit. Die situatie is onhoudbaar.” Voor Stadsgroenteboer is een eerlijke prijs daarom ook een manier om goed voor de grond én voor de mensen die er werken te kunnen zorgen.
Wat ze het mooist vindt aan haar eigen model, is dat het de prijs loskoppelt van het product. “Je betaalt ons niet voor déze wortel. Je betaalt voor een dienst: dat wij het hele jaar groente voor je verbouwen, er een mooi pakket van maken en ondertussen ook voor de grond en de heggen zorgen.”
Ruimte voor groei
Op de huidige locaties loopt Stadsgroenteboer tegen zijn grenzen aan. “We zitten nu zo’n beetje vol — een paar pakketten zouden er nog bij kunnen, maar de bezorgfietsen zitten ook bijna vol.” Wat ze nodig heeft, is niet alleen meer land, maar ook betere infrastructuur: “De koelcel op de andere locatie zou groter moeten, en ons inpakstation ook. Dit werk is heel veel handwerk, en dat moet je zo efficiënt mogelijk kunnen doen, anders ben je nooit productief genoeg.” Precies dat kan het Voedselpark bieden: “Als we er met Voedselpark ruimte bijkrijgen dan kunnen we weer echt aan groei denken.”
Dat de grond in de Lutkemeerpolder de moeite waard is om voor te vechten, hoeft ze niemand uit te leggen. “Dit land wordt al heel lang biologisch verbouwd, en als ik zie hoe mooi de tuin erbij staat en hoe goed alles groeit, zou het gewoon heel zonde zijn om hier zo’n industriedoos neer te zetten.” Voor het collectief hoopt ze vooral op goede samenwerking. “Ik hoop dat het een positief voorbeeld wordt en dat het ons lukt om goed samen te werken met de verschillende bedrijven — dat is altijd uitdagend.”
Precies daarin zit de betekenis van Stadsgroenteboer voor het Voedselpark: het bewijs dat lokale, regeneratieve landbouw geen sympathieke bijzaak hoeft te zijn, maar een financieel gezonde onderneming kan zijn, die groente levert, bodem opbouwt en mensen bij elkaar brengt. “Ik word soms een beetje moe van mensen die zeggen dat je met biologische landbouw de wereld niet kunt voeden,” zegt Julia. “Ik denk dat dat wel kan, als we niet allemaal zoveel vlees zouden eten — en het kan echt heel efficiënt zijn.” Dat is de belofte die ze op het Voedselpark wil waarmaken: “Dat we kunnen laten zien: kijk, dit werkt echt, er is een alternatief, en het is een realistisch alternatief. Het is niet zomaar idealisme.”
Oogstfeest – Kom je ook?
Zaterdag 5 september organiseert Stadsgroenteboer hun jaarlijkse oogstfeest. Met een markt, muziek, lekker eten en meer gezelligheid. Een leuke manier om Stadsgroenteboer beter te leren kennen en erachter te komen of je zelf lid wilt worden in 2027.
